LWOE
left
  Epilepsie

Epilepsie vormt vaak een aspect van een meervoudig stoornisbeeld. We spreken dan over een syndroombeeld. Epilepsie kent vele syndromen. Het is belangrijk om tot een medische syndroomdiagnose te komen omdat dit de therapiekeuze beïnvloedt en een prognostische betekenis heeft.

Elk epilepsiesyndroom heeft zijn eigen specifieke kenmerken: in soort aanval(len), het EEG-beeld, de leeftijd waarop het syndroom ontstaat en de invloed op de intelligentie en het gedrag van het kind. Vaak is de oorzaak van epilepsiesyndromen (nog) niet bekend. Voor lang niet alle kinderen met epilepsie kan even gemakkelijk worden vastgesteld welk syndroom ze hebben. Sommigen hebben een paar kenmerken van het ene syndroom en een paar van een ander. Er kunnen jaren overheen gaan om tot de juiste diagnose te komen. Bovendien zijn er ook syndromen die later overgaan in andere syndromen of epilepsievormen.

Enkele voorbeelden van de meest voorkomende syndroombeelden in de schoolgaande leeftijd:

Koortsstuipen worden niet tot epilepsie gerekend. Ongeveer vijf procent van de kinderen krijgt een keer een koortsconvulsie. Van deze groep ontwikkelt slechts vijf tot tien procent later daadwerkelijk epilepsie.

Voor meer informatie zie: www.kinderneurologie.eu

Syndroom van Landau-Kleffner

  • Leeftijd: tussen de twee en zes jaar.
  • Aanvallen: een zeldzaam syndroom met toename van epileptische activiteit in het EEG tijdens de slaap. Ook komt continue epileptische activiteit in de diepe slaap voor. In enkele dagen of weken verliest het kind het vermogen om taal te begrijpen en wordt het praten onverstaanbaar. Soms lijkt het alsof het kind plotseling doof of autistisch is. Kinderen begrijpen de reeds geleerde taal niet meer, kunnen woorden niet vinden en hebben moeite met het benoemen en nazeggen. Dit kan leiden tot gedragsproblemen, concentratieproblemen en hyperactiviteit. Ook kan agressiviteit en depressiviteit voorkomen. Dit wordt toegeschreven aan de communicatieproblemen, maar kan ook het gevolg zijn van de medicatie. In een tweede stadium treden insulten op: partiële aanvallen met secundaire generalisatie. De eerste aanval kan heel goed een status epilepticus zijn.
  • Prognose: de meeste kinderen hebben een normale intelligentie, maar dit epilepsiesyndroom heeft ernstige gevolgen voor het leervermogen en de taalproductie neemt af. Driekwart van de kinderen heeft ook concentratie- en gedragsproblemen. Met gewone medicijnen tegen epilepsie kunnen vaak wel de aanvallen worden onderdrukt, maar de taalfunctie herstelt niet. In het vroege stadium wordt succesvol behandeld met corticosteroïden. In het buitenland worden deze kinderen wel eens geopereerd. Vaak verdwijnen de aanvallen spontaan rond het vijftiende levensjaar. Dan kan in meer of mindere mate ook de taalfunctie verbeteren, hoewel de taalontwikkeling al die jaren heeft stilgestaan. Bij ongeveer 20% van de kinderen verdwijnen de symptomen helemaal, ook de communicatieproblemen. Veel kinderen houden echter spraak- en communicatiemoeilijkheden.
  • De naam verworven epileptische afasie wordt ook gebruikt.
  • Afstemming tussen medisch en logopedisch handelen is van groot belang.
  • Niet alle kinderen met epilepsie én taal-/spraakproblemen hebben het Landau Kleffner Syndroom. Een partiële epilepsie in de linker temporaalkwab kan ook wisselende woordvindingsproblemen veroorzaken.
    Deze epilepsie behoort tot de categorie (dis)cognitieve epilepsiesyndromen.


Bronnen:
- Episcoop jaargangen 2003-2004-2005
- ‘Het indiceren van leerlingen met epilepsie voor leerlinggebonden financiering, een handreiking’ - LCTI 2007

 

Home